Schepen

 

…Dit is een verhaal dat niet over Wijsmuller gaat.

 

Het gaat over koopvaardijschepen die in de Tweede Wereldoorlog een grote rol hebben gespeeld en hun onzeker lot tegemoet voeren.

Navigare Nessese Est

Je vindt een mooie foto van een schip uit die tijd en word je benieuwd naar de geschiedenis ervan.
Dan vind je nog meer foto’s.
Voor je het weet heb je een heel verhaal geschreven met afbeeldingen over al die schepen.

Functionele schoonheid.

 

Het waren ongewijfeld harde werkschepen, maar hun uiterlijk hebben iets nostalgisch.
Ontwikkeld in een tijd dat er nog geen computers bestonden.
Ontworpen op tekentafels, met rekenlinialen en ervaring.
Bij werven waar de klinknagel alles met elkaar verbond.
Jarenlang brachten die schepen trouw hun lading waar het verlangd werd.
Schepen die mede de geallieerden de overwinning bracht.
Dat verdient bewondering.

 

Strijd

 

Gedurende de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog beheersten de Duitse U-boten de Atlantische Oceaan en brachten met hun torpedo’s veel geallieerde schepen tot zinken.

U-boot.

 

Veel scheepsruimte en lading ging, naast mensenlevens, verloren.
Om al die verliezen aan schepen op te vangen moest er een ontwerp komen die snel en goedkoop gebouwd kon worden.

 

Standaard

 

De ‘Dorington Court’ 1939-1942.
De ‘Dorington Court’ in Vancouver.

 

In Engeland werd het ontwerp van de ‘Dorington Court’ gebruikt voor de zgn. ‘Sunderland Tramp’.
Ontworpen en gebouwd door J.L. Thompson and Sons op de North Sands Yard in Sunderland.
Dit ontwerp diende later als basis voor een succesvoller vrachtschip.

Sunderland Harbour.

 

Ze konden snel en goedkoop geproduceerd worden en veel werven in Noord-Engeland bouwden ze.
Het waren geen snelle schepen en werden ontworpen voor het vervoeren van alle mogelijke goederen.
Gebouwd voor een korte levensduur.
Vele voeren echter nog jaren door!

 

Empire

 

Een verzameling van allerlei type schepen die in dienst waren van de Engelse regering tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Type North Sands.

 

Doorsnede ‘North Sands’.

 

Het Engelse Ministerie van Scheepvaart, opgericht in oktober 1939, nam snel een standaard naamgevingssysteem aan, waarbij het voorvoegsel ‘Empire’ werd toegepast op alle koopvaardijschepen die in Groot-Brittannië voor de regering werden gebouwd en in dienst genomen.

De meeste werden gebruikt door het Ministerie van Oorlogstransport, dat ze in eigendom had en hun exploitatie uitbesteedde aan verschillende rederijen van de Britse koopvaardij.

Een Empire in grauwe oorlogskleuren ergens voor de kant in New York.

De ‘Empire Castle’ 1942-1971.

 

Het was duidelijk te zien dat varen belangrijker was dan verven!

Als ‘Nelson Star’ weer strak in de verf.

 

Doorsnede ‘Empire Castle’.

 

Op enkele uitzonderingen na werd het voorvoegsel Empire ook uitgebreid naar gekochte of gevorderde schepen en naar schepen die als prijs waren verworven.

Schepen van het type ‘North Sands’ werden in grote aantallen op allerlei werven gebouwd met alle mogelijke subtypen.

Zo was de ‘Empire Flame’ een stoomschip van het Y-type.

De ‘Empire Flame’ 1941-1945.
Als ‘Dunkery Beacon’ 1945-1955.
Als ‘Rissa’ 1955-1961 onder Finse vlag.
Nog steeds onder Finse vlag de ‘Augusta Paulin’ 1961-1969.

 

In 1969 maakte ze haar laatste reis naar Shanghai om gesloopt te worden.

De ‘Empire Spartan’ was er ook één van het Y-type.

De ‘Empire Spartan’.
Als ‘City of Cardiff’.

 

In 1951 veranderde haar naam in ‘City of Cardiff’, om in 1959 nogmaals te veranderen in ‘Shun Wing’.
Ze werd gesloopt in 1972.

Terwijl de ‘Pilote Garnier’ ex-‘Empire Outpost’ van het X-type was en werd voorzien van een motor.

De ‘Pilote Garnier’ ex-‘Empire Outpost’ 1943-1966.
Nogmaals de ‘Pilote Garnier’.
Als ‘Kyra Hariklia’.

 

De ‘Empire Ray’ was er ook één van het X-type.

Als CAM-schip ‘Empire Ray’ 1941-1962.
Als ‘King Alfred’.

 

De Engelse werven presteerden het om dit soort schepen in twee maanden te bouwen.

De ‘Empire Clough’.

 

De ‘Empire Clough’ werd in april 1942 te water gelaten, in juni opgeleverd en ging een week later verloren op haar eerste reis.

De ‘Empire Drum’ had ook maar een kort leven.

De ‘Empire Drum’ 1942-1942.
Schipbreukelingen, met nog een man te water.

 

In november 1941 ging ze in Sunderland te water om in maart 1942 opgeleverd te worden.
Ze werd voortgedreven door een dieselmotor.
Op 24 april 1942 werd ze getorpedeerd en zonk.

De opvarenden van de ‘Empire Drum’ werden allemaal gered.
Al moesten ze nog de nodige dagen ronddobberen in drie reddingsboten voor ze gevonden werden door het Zweedse vrachtschip ‘Venezia’ en de Amerikaanse onderzeebootjager ‘USS Roper’.

De ‘Venezia’ 1938-1943.

 

De ‘Venezia’ werd twee maanden later ook getorpedeerd en zonk.

De ‘USS Roper’ 1919-1946.

 

CAM-schepen

 

De Atlantische konvooien leden veel verliezen door het gebrek aan luchtsteun.
Vliegtuigen vanaf land hadden te weinig acceradius.
In 1941 werden enkele schepen met een katapult uitgerust om een vliegtuig te lanceren.

De ‘Empire Faith’ 1941-1971.
Toestel gereedmaken op de ‘Empire Faith’.
Hier als ‘Global Venture’.

 

Tekening ‘Empire Faith’.

 

Zo’n vliegtuig werd via een soort lanceerbalk, terwijl het schip op wind draaide, afgeschoten.
Landen ging daarna niet meer.
De piloot sprong eruit en een kostbaar vliegtuig ging verloren.

Een vliegtuig wordt gereed gemaakt.
De ‘Empire Day’ 1941-1944.
Lancering van een ‘Hawker Hurricane’.

 

Tekening ‘Hawker Hurricane’.

 

De ‘HMS Empire Lawrence’ 1941-1942.

 

De CAM-schepen ‘Empire Darwin’ en de ‘Empire Tide’ waren de laatste die met zo’n lanceerinrichting voeren.
Dat was in 1943 tijdens een konvooi vanuit Gibraltar.

Een ‘Hawker Hurricane’ op de ‘Empire Darwin’.
De piloot op weg naar z’n toestel.
De ‘Empire Darwin’ 1941-1966.
De ‘Culrain’ ex-‘Empire Darwin’.
De ‘Empire Tide’ 1941-1966.
Als ‘Thirlby’ ex-‘Empire Tide’.

 

Er waren meer CAM-schepen, zoals de ‘Empire Gale’, de ‘Empire Foam’ en de ‘Daghestan’.

Lanceerinrichting op de ‘Empire Gale’ 1941-1968.
De ‘Empire Foam’ met vliegtuig.
De ‘Graigaur’ ex-‘Empire Foam’ 1941-1963.
Katapult op de ‘Daghestan’.
De ‘Daghestan’ 1941-1969.
De ‘Annefield’ ex-‘Daghestan’.
Konvooi met het CAM-schip ‘Empire Spray’ voorop.

 

Tekening lanceerinrichting.

 

Ze werden CAM-schepen genoemd en diende als zodanig maar een korte tijd.

 

MAC-schepen

 

De Engelsen hadden in 1940 een Duits schip, de ‘Hannover’, in beslag genomen.
Haar in dat jaar omgedoopt tot ‘Sinbad’ en later tot ‘Empire Audacity’.
Ze bouwden dat schip om tot een soort escorte vliegdekschip en kreeg de naam ‘HMS. Audacity’.
Het bleek een moeilijk schip om mee te varen.

De ‘Hannover’ 1938-1941.
De ‘HMS. Audacity’.
Nogmaals de ‘HMS. Audacity’.

 

Tekening ‘HMS. Audacity’.

 

Het was alleen maar een dek waar zo’n zes vliegtuigen op konden staan.
Die konden daar alleen maar van opstijgen en landen.
Vaak waren dat ‘Grumman Martlet’ toestellen.

 

Tekening ‘Grumman Martlet’.

 

In 1941 werd ze getorpedeerd en zonk.

Na het verloren gaan van de ‘HMS. Audacity’ gebruikte de Engelse marine haar opgedane ervaringen in het ontwikkelen van escorte vliegdekschepen.
Zo werd de ‘Telemachus’ die in 1940 op de helling stond overgenomen en kreeg de naam ‘Empire Activity’.
Voor ze te water ging in 1942, werd ze verder afgebouwd als de ‘HMS. Activity’.

De ‘HMS. Activity’.

 

Tekening ‘HMS. Activity’.

 

Deklift.

 

Het vliegdek was maar 152 meter lang.

Formatie ‘Grumman Martlet’.

 

De ‘HMS. Activity’ deed ook mee aan een reddingsaktie.
Ze hielp met het zoeken naar overlevenden van de ‘Peter Silvester’ die in de Indische Oceaan was getorpedeerd.
De ‘Peter Silvester’ was op 06-02-1945 het laatste schip dat in de Indische Oceaan werd getorpedeerd door een Duitse onderzeeër.

De ‘Peter Silvester’ 1942-1945.
Was te drogen op de ‘Peter Silvester’.

 

Tekening Liberty.

 

In 1946 werd de ‘HMS. Activity’ buiten dienst gesteld.
Ze werd terug omgebouwd tot vrachtschip.

Hier als ‘Breconshire’ 1947-1967.

 

Na de ‘HMS. Activity’ kwamen er meer escorte vliegdekschepen of MAC-schepen met de nodige aanpassingen in dienst.

Een MAC-schip.

 

Tekening MAC-schip.

 

Graan zuigen uit een MAC-schip.

 

Sommige tot MAC-schip omgebouwde vliegdekschepen waren graanschepen geweest.
In tegenstelling tot omgebouwde tankers hadden deze wel een soort hangaar met een lift.

Een omgebouwde tanker.

 

Een aantal Nederlandse Shell-tankers werden in die jaren omgebouwd tot MAC-schip.
Dit waren de ‘Algida’, de ‘Macoma’, de ‘Rapana’en de ‘Miralda’, gebouwd in Nederland.
Ze voeren alle voor de rederij Petroleum Mij. ‘La Corona’ te ’s Gravenhage.
De ‘Algida’en de ‘Macoma’ bleven onder de Nederlandse vlag varen.
In tegenstelling tot de ‘Rapana’ en de ‘Miralda’ die de Engelse vlag kregen.

De ‘Rapana’ 1935-1958.
De ‘Miralda’ 1936-1960.

 

Het bleven tankschepen, ze bouwden er gewoon een vliegdek bovenop.
Ze werden uitgerust met een paar ‘Fairey Swordfish Mk1’ of ‘Grumman Martlet’ toestellen, vliegtuigen die maar een korte startbaan nodig hadden.
Ze bleven aan dek staan, hangaars of liften waren er niet.

De ‘Gadila’ 1934-1957.

 

Tekening ‘Gadila’ als tanker.

 

MAC-schip (MAC 6) ‘Gadila’.

 

Tekening ‘Gadila’ als escorte vaartuig.

 

De ‘Macoma’ kwam 1936, evenals de ‘Gadila’, in de vaart voor de rederij Petroleum Mij. ‘La Corona’ te ’s Gravenhage.
In 1944 werd ze omgebouwd tot MAC-vliegdekschip.

De ‘Macoma’ in 1938.

 

De ‘HMS. Macoma’ (D-94) kon vier Fairey Swordfish vliegtuigen op haar dek meevoeren.
Ze werden veelal door Nederlandse piloten gevlogen.
Zij waren de enige van de marine aan boord, de rest van de bemanning was van de koopvaardij.
In feite waren het de eerste Nederlandse vliegdekschepen.

Omgebouwd tot MAC-schip, de ‘HMS. Macoma’.
Vooraanzicht.

 

Tekening ‘HMS. Macoma’.

 

Formatie van Fairey Swordfish toestellen.

 

Het middelste toestel voerde een oranje driehoekje in het staartvlak ten teken dat er een Nederlandse piloot op vloog.

Tekening ‘Fairey Swordfish Mk1’.

 

In 1945 werd ze buiten dienst gesteld.
Ze ging naar de RDM-werf om weer omgebouwd te worden tot tanker.

Opgelegd en afgeleefd.
Weer in oude staat terugbrengen bij de RDM.
De ‘Macoma’ in 1946.

 

Tekening ‘Macoma’.

 

De ‘Macoma’ werd in 1959 gesloopt.

Hoe summier ook, er was luchtverdediging aanwezig.
Door de opkomst van deze schepen verdwenen de lanceerinrichtingen op de koopvaardijschepen.

 

Overname

 

De geallieerden gebruikten meer Nederlandse schepen voor allerlei doeleinden en sommige gingen daarbij verloren.
Om dat verlies enigszins te compesseren kocht de Nederlandse Staat schepen aan.
Een aantal Empire’s, van het type ‘North Sands’, kwam daardoor onder Nederlandse vlag te varen.
Ze kregen meestal namen van schilders uit de Gouden Eeuw.

Zo werd de ‘Empire Iseult’ in 1943 overgenomen en voer ze onder de naam ‘Frans van Mieris’.

De ‘Empire Isuelt’ 1943-1969.
De ‘Frans van Mieris’.
De ‘Farmsum’.
Nogmaals de ‘Farmsum’.

 

In 1943 voer ze voor de Fa. Wm Ruys & Zn en 1946 voor de Rederij Vinke & Co.
Ze werd in 1969 gesloopt.

De ‘Aert van der Neer’ ging te water als ‘Empire Galliard’ in 1942.

De ‘Aert van der Neer’.

 

In 1943 kwam ze onder Nederlandse vlag en voer eerst voor Ph. van Ommeren.
Dat veranderde in 11-1946 voor de Koninklijke Hollandse Lloyd.

Als ‘Maasland’.

 

Haar naam veranderde 12-1946 in ‘Maasland’, maar bleef voor dezelfde rederij varen.

Als ‘M Bingul’.

 

In 1959 verkocht naar Turkije als ‘M Bingul’ om in 1966 gesloopt te worden.

De ‘Empire Fortune’ van 1943 werd in datzelfde jaar ‘Van Honthorst’ en ging varen voor Wm. Ruys & Zn.

De ‘Empire Fortune’ 1943-1962.
De ‘van Honthorst’.
Als ‘Stad Schiedam’.

 

Daarna in 1946 als ‘Stad Schiedam’ voor de Halcyon Lijn, ze werd in 1962 gesloopt.

In 1942 gleed de ‘Empire Ruskin’ te water om in 1943 de ‘Van Der Capelle’ te worden.

De ‘Empire Ruskin’ 1942-1968.
De ‘van der Capelle’.

 

Dit schip voer eerst voor de HAL.
Om in 1946 voor de Koninklijke Hollandse Lloyd te gaan varen, in 1947 veranderde haar naam in ‘Delfland’.

De ‘Delfland’.
Als ‘M Esref’.

 

In 1959 verkocht naar Griekenland als ‘M Esref’.
Haar sloop was in 1968.

De ‘Philips Wouwerman’ werd in 1943 aangekocht, ze was de voormalige ‘Empire Courage’.

De ‘Empire Courage’ 1942-1968.
Als ‘Philips Wouwerman’.
De ‘Philips van Wouwerman’.

 

Ze voer voor HAL en in 1946 voor de SMN.

De ‘Ceram’ met korte pijp.
Als ‘Ceram’ in Vancouver.
De ‘Ceram’ met lange pijp.

 

In 1947 veranderde haar naam in ‘Ceram’ om in 1953 wederom een andere naam te krijgen.
Het werd de ‘Amsteltoren’ voor de Reederij ‘Amsterdam’.

Als ‘Amsteltoren’.

 

In hetzelfde jaar veranderde die weer in ‘Amstelbrug’.

De ‘Amstelbrug’.
Als de ‘Calliman’.

 

Ze ging in 1959 in Griekse handen over als ‘Armathia’.
Ze bleef onder Griekse vlag in 1965 als ‘Calliman’.
In 1968 werd ze gesloopt.

De ‘Empire Kamal’ van 1941 was de geconfisqueerde ‘Hohenfels’ uit 1938.
De Duitsers lieten haar zinken, werd door de Engelsen weer geborgen en in de vaart gebracht.

De ‘Hohenfels’ 1938-1962.
Door eigen bemanning tot zinken gebracht.

 

Tekening ‘Hohenfels’.

 

Onder Nederlandse vlag werd het in 1944 de ‘Van Ruisdael’ en voer voor de KNSM.
In 1946 voor de VNS.

De ‘van Ruisdael’.

 

Ze werd in 1947 de ‘Ridderkerk’ nog steeds voor de VNS om in 1962 gesloopt te worden.

Als ‘Ridderkerk’.
Nogmaals de ‘Ridderkerk’.

 

Tekening ‘Ridderkerk’.

 

De ‘Empire Sidney’ van 1942 werd in 1943 de ‘Van Der Helst’ en voer voor de JCPL.
In 1947 omgedoopt tot ‘Tjimenteng’ en voer nu voor de KJCPL.

De ‘Van Der Helst’.
Als ‘Tjimenteng’.

 

In 1963 werd ze verkocht naar Griekenland en kreeg de naam ‘Diamandis’, om in 1969 onder de sloophamer te verdwijnen.

De ‘Empire Spray’ en de ‘Empire Raleigh’ kwamen in 1941 in de vaart.
Beide schepen werden door de Nederlandse Staat overgenomen.
Ze kregen resp. de namen ‘Gerard Dou’ en ‘Vermeer’.

Hier als ‘Empire Spray’.

 

De ‘Empire Spray’ was eerst een CAM-schip.
Als ‘Gerard Dou’ kwam ze in 1943 voor Wm. Ruys & Zn. te varen

De ‘Gerard Dou’ in het ijs.
Als ‘Gerard Dou’.

 

De ‘Gerard Dou’ werd in 1947 de ‘Marken’.

Als de ‘Marken’.
De ‘Marken’ in het grijs.
De ‘Inchmull’.

 

Verkocht in 1955 naar Taiwan en kreeg de naam ‘Inchmull’.
Ze werd in 1969 gesloopt.

De ‘Vermeer’ voer eerst voor Ph. van Ommeren, in 1945 voor de VNS en in 1946 voor de Fa. Erhardt & Dekker (Wijklijn).

De ‘Vermeer’ in oorlogsgrijs.
Nogmaals de ‘Vermeer’.
Als ‘Zonnewijk’.
Wederom de ‘Zonnewijk’.

 

De ‘Vermeer’ werd in 1946 de ‘Zonnewijk’.
Verkocht naar Griekenland in 1961 en kreeg de naam ‘Antonakis’.
Ze liep in hetzelfde jaar aan de grond, brak en werd total loss verklaard.

In 1941 kwam de ‘Empire Rennie’ in de vaart.
Na overname in 1942 werd het de ‘Frans Hals’ en ging varen voor Ph. van Ommeren.
In 1946 deed ze dat onder dezelfde naam voor Nievelt, Goudriaan & Co.
In datzelfde jaar veranderde ze alsnog van naam en werd ze de ‘Alchiba’.
Ze werd in 1956 naar Duitsland verkocht omdat ze te langzaam was voor een lijndienst.
Ze kreeg zwaardere laadgerei en de naam ‘Rheinfels’.

De ‘Frans Hals’.
Als ‘Alchiba’.
De ‘Rheinfels’.

 

In 1968 werd ze weer verkocht, nu naar Cyprus als de ‘Peramataris’
Ze kreeg in 1975 brand in de machinekamer en werd daarna opgelegd.
Gesloopt in 1979.

De ‘Peramataris’.

 

Zowel de ‘Philips Wouwerman’, de ‘Van Der Helst’, de ‘Van Ruisdael’,’de ‘Vermeer’, de ‘Frans Hals’ en de ‘Gerard Dou’ waren motorschepen, oftewel van het type-X.
Terwijl de ‘Aert van der Neer’, de ‘van Honthorst’, de ‘van der Capelle’, de ‘Aelbert Cuyp’, en de ‘Pieter de Hoogh’ van het type-Y waren: stoomschepen.

De ‘Empire Halley’ was van 1941.
Ze werd in 1942 door de Staat der Nederlanden overgenomen.
Omgedoopt tot ‘Pieter de Hoogh’.
In die tijd voer ze in veel konvooien mee.
In 1945 ging ze voor Nievelt, Goudriaan & Co varen.
Rederij Vinke & Co nam haar in 1947 over en ze kreeg de naam ‘Britsum’.
Ze vertrok in 1959 naar Japan om daar gesloopt te worden.

De ‘Empire Halley’ op haar proefvaart.
De ‘Pieter de Hoogh’ in het grijs.
Hier de ‘Britsum’.
Nogmaals de ‘Britsum’.

 

De ‘Emire Hazlitt’ was ook een stoomschip die in 1942 te water ging.
Overgenomen in 1943 kreeg ze de naam ‘Aelbert Cuyp’.

De ‘Empire Hazlitt’.
Als ‘Aelbert Cuyp’ in 1943.
In een haven de ‘Aelbert Cuyp’.
Als ‘Delfshaven’.
De ‘Confidence’.

 

Ze ging voor de rederij van Uden varen in 1946 en veranderde haar naam in ‘Delfshaven’.
Werd verkocht en kwam in 1959 onder Liberiaanse vlag te varen als ‘Edina’.
Daarna in 1961 als ‘Confidence’ onder dezelfde vlag om in 1966 gesloopt te worden.

Het waren niet allemaal schepen uit de veertiger jaren die overgenomen werden.
De overgenomen ‘West Harshaw’ uit 1919 werd in 1941 de ‘Ferdinand Bol’.
De ‘Jan van Goyen’ was eerst de ‘West Raritans’ ook uit 1919.
Ze hadden dus al de nodige jaren op zee achter de rug.

De ‘West Harshaw’.
De ‘Ferdinand Bol’.
Nogmaals de ‘Ferdinand Bol’.

 

In 1940 werd de ‘West Harshaw’ overgenomen door de Engelsen en kreeg ze de naam ‘Empire Oryx’.
In 1941 veranderde deze weer in ‘Empire Robin’.
Ze werd door de Nederlandse Staat overgenomen en kreeg de naam ‘Ferdinand Bol’.
Ze kwam in aanvaring en zonk in 1942.
Ze voer voor de rederij van Uden.

De ‘West Raritans’ werd eveneens overgenomen door de Engelsen die haar ‘Empire Mavis’ noemden.
De Nederlandse Staat nam haar daarna over onder de naam ‘Jan van Goyen’.
Ze voer voor de rederij Cornelder & Zn.
In 1946 ging ze over naar de Halcyon Line en kreeg de naam ‘Stad Maastricht’.
Werd verkocht naar Panama onder de naam ‘Amaver’.
In 1957 werd ze gesloopt.

De ‘Jan van Goyen’ in oorlogsgrijs.
De ‘Jan van Goyen’.
Als de ‘Stad Maastricht’.
Daarna de ‘Amaver’.

 

Snelheid

 

De Nederlandse Staat kocht ook een aantal snelle schepen aan.
Zoals de ‘Rembrandt’ en de ‘Terborch’.
Schepen die zo’n 16 mijl konden lopen.
De gewone Empires van het type North Sands haalden net 11 mijl.

De ‘Empire Trust’.
De ‘Rembrandt’.
Als ‘Amerskerk’.
De ‘Rijnkerk’.
Nog een fraaie opname van de ‘Rijnkerk’.
Hier als ‘Rynkerk’.

 

Doornede ‘Rembrandt’.

 

De ‘Empire Trust’ ging in 1941 te water als een snel vrachtschip.
Ze werd in 1942 overgenomen en omgedoopt tot ‘Rembrandt’.
Het was een motorschip.
In 1945 kwam ze voor de VNS te varen en kreeg de naam ‘Amerskerk’.
Ze veranderde in dat jaar naar ‘Rijnkerk’ en dat veranderde nogmaals in ‘Rynkerk’.
In 1963 werd ze gesloopt.

De ‘Terborch’ gleed als ‘Empire Albion’ in 1944 te water.
Ze werd in dat zelfde jaar overgenomen.
Een turbine schip, gebouwd voor snelheid.
Zoals reeds eerder geschreven zijn Empires een verzameling schepen.
Het verschil tussen een ‘Empire’ van het type North Sands uit de beginjaren 1940 en de ‘Terborch’ uit 1944 was groot.
Zelfs tussen de ‘Terborch’ en de ‘Rembrandt’ was het verschil al beduidend.

De ‘Terborch’.
Als ‘Eemdyk’.
Nogmaals de ‘Eemdyk’.
De ‘Orient Merchant’.

 

Tekening snelle Empire.

 

Ze ging in 1944 voor de VNS varen.
Voor de HAL in 1946.
In 1960 werd ze verkocht naar Panama onder de naam ‘Orient Merchant’.
Op het Erie meer liep ze aan de grond en raakte zwaar beschadigd.
Onder de naam ‘Zambezi’ ging ze in 1967 naar de sloper.

 

Geconfisqueerd

 

De Duitse ‘Soneck’, varende voor de Hansa-lijn, werd in de Nederlands Indische wateren op 10-05-1940 door de ‘Hr.Ms. Java’ aangehouden.

Tekening ‘Soneck’ 1938-1940.

 

Geconfisqueerd en ging varen onder de naam ‘Karsik’ voor de KPM.

De ‘Karsik’ 1940-1963.
De ‘Karsik’ voor anker.

 

De kruiser ‘Hr.Ms. Java’ verging tijdens de Slag in de Javazee.

De ‘Hr.Ms. Java’ 1921-1942.

 

Tekening ‘Hr.Ms. Java’.

 

Lijnenplan ‘Hr.Ms. Java’.

 

De ‘Karsik’ werd in 1963 verkocht en kwam met de naam ‘Pearl of Victoria’ onder Panamese vlag varen.
Ze liep in 1967 op rotsen in de Rode Zee en ging verloren.

 

Scandinavian

 

Er werd nog een ander type schip in Engeland gebouwd, het type ‘Scandinavian’.
Minder bekend dan de grotere zusters waarover hiervoor werd geschreven.
Ze werd oneerbiedig de ‘The Hartlepool Jeep’ genoemd.

Een schip van het type ‘Scandinavian’.

 

Het type ‘Scandinavian’ werd ontworpen door Wm. Gray uit West Hartlepool als een wat kleinere stoomschip voor algemeen gebruik.
Er werden zo’n 38 van dit type schip gebouwd.

De ‘Letchworth’ ex-‘Empire Caxton’.

 

Het waren onelegante werkpaarden voor lage snelheid, zonder glamour, maar ze bleken een bijzonder effectief ontwerp.
Ideaal geschikt voor de grillen van de oorlogstijd.
Met een laadvermogen van 4.700 ton, onbelemmerde gangboorden, hoge stevige verschansingen en alle uitrusting voor vrachtbehandeling boven en vrij van het hoofddek, waren ze bijzonder geschikt voor het vervoer van allerlei ladingen en bulkgoederen.

De ‘Loris’.

 

De ‘Empire Toilier’ gleed in 1942 te Troon in het water.
Ze werd overgenomen in 1943 en kreeg de naam ‘van Ostade’ en voer voor de NV. Houtvaart.
In 1947 ging ze varen voor de KNSM.
Werd in 1950 verkocht naar Engeland als ‘Etal Manor’, om in 1953 de naam ‘Moto’ te krijgen.

De ‘Empire Toilier’.
De ‘van Ostade’.
Hier ook als de ‘van Ostade’.
De ‘Moto’ ergens aan de kant.
De ‘Moto’ zonder pluim.

 

Werd wederom verkocht, nu naar Italië als ‘Tirso’, om dan onder Libanese vlag als ‘Hamal’ te gaan varen.
In 1969 werd ze gesloopt.

Als ‘Hamal’.

 

Bij de rederij Wm Müller & Zn. voeren ook ‘Scandinavians’ en wel de ‘Hispania’ uit 1943 en de ‘Iberia’ uit 1944.
Ze werden resp. in 1955 en 1956 overgenomen.

De ‘Hispania’.
De ‘Iberia’.

 

Ondanks dat het dezelfde type schepen zijn, hebben ze toch verschillen.
Zo heeft de ‘Iberia’ haar hoofdmasten anders geplaatst dan op de ‘Hispania’.

De ‘Hispania’ ging als ‘Empire Beaconsfield’ in 1943 van de hellng.
Werd in 1946 de ‘Hawkinge’ en in 1951 de ‘Angusbrae’ nog onder Engelse vlag.
Ze voer in 1956 onder Nederlandse vlag tot 1960.

De ‘Dia’.

 

Daarna werd ze onder Griekse vlag de ‘Dia’.
In 1964 zonk ze in de Golf van Biskaje.

De ‘Iberia’ ging in 1944 te water als ‘Empire Harcourt’.
Veranderde in 1946 van naam in ‘Baron Ailsa’.

De ‘Baron Ailsa’.

 

Kwam onder Nederlandse vlag te varen in 1955.

De ‘Iberia’ bij Ritthem op de dijk gelopen.

 

Werd verkocht naar Griekenland en kreeg de naam ‘Cycladiki Doxa’ in 1962 en ‘Mount Sinai’ in 1964.
Gesloopt in 1972.

 

De ‘Cycladiki Doxa’.
De ‘Mount Sinai’.

 

Ook Noorwegen had zo’n ‘Scandinavian’ overgenomen.
De ‘Empire Pilgrim’ werd de ‘Astrid’ in 1942.
In 1960 is ze gezonken.

De ‘Astrid’ ex-‘Empire Pilgrim’.

 

De ‘Empire Tennyson’ had maar een heel kort leven.
Ze ging in maart 1942 te water en in oktober 1942 werd ze getorpedeerd en zonk.

De ‘Empire Tennyson’ 1942-1942.

 

Het waren werkschepen die overal terecht konden met hun lading, traag maar betrouwbaar.

 

Torpedonetten

 

Een aantal ‘Empire’ schepen werden voorzien van een installatie om torpedonetten te gebruiken.
De Engelsen meenden op die manier vijandelijke torpedo’s tegen te kunnen houden.

De ‘Empire Crown’ 1943-1963 met de bomen getopt.
Hier als ‘Capitaine G. Lacoley’ in 1945.

 

De Franse ‘Capitaine G. Lacoley’, ex-‘Empire Crown’, veranderde in 1961 van naam en vlag.
Ze werd nu de ‘Mparmpa Petros’ en ging varen onder Panamese vlag.
Liep in 1963 aan de grond en ging verloren.

De ‘Empire Liberty’ 1941-1960 met bomen voor torpedonetten.

 

Je kon zien aan een ‘Empire’ wanneer deze was voorzien van zo’n installatie.
Op de boeg een uitsteeksel en aan de hoofdmasten voor- en achter waren lange bomen bevestigd, deze staken boven de eigenlijke masten uit.
Die zware netten moesten van achteren naar voren getrokken worden, tegen de stroomrichting in.

Het was een heidens karwei om de, van staaldraad gemaakte, netten te bevestigen en buitenboord te krijgen.
Ze moesten een paar meter van het schip hangen.

De ‘Empire Tourist’ 1943-1944.
De ‘Empire Lakeland’ 1942-1943.

 

Ondanks de netten werden de ‘Empire Tourist’ en de ‘Empire Lakeland’ getroffen door torpedo’s en zonken.

De bomen gestrekt.
Torpedo netten uitgezet.

 

Soms moest als oefening alles uitgeprobeerd worden.
Die netten in het water meeslepen kostte veel vermogen en zo’n schip moest zich al gauw uit de veiligheid van een konvooi laten zakken.
Ze voer even alleen, geen prettige gedachte voor de bemanning.
Het bevorderde de snelheid van zo’n konvooi ook niet.

Slepen met torpedonetten.
Van de andere kant gezien.

 

 

Het effect van veiligheid was nihil en kostbaar.
Deze netten zijn daardoor zelden daadwerkelijk gebruikt.

 

 

 

 

Einde

 

Ieder schip haalt z’n einde.
Het zij door torpedo’s, aanvaringen, strandingen, averij of gewoon bij een sloperij.

De ‘Empire Mortimer’.

 

De ‘Empire Mortimer’, moe gevaren ergens in een verloren haven.
Ze heeft haar plicht gedaan en vele mijlen afgelegd.
Van 1943 t/m 1966 met verscheidene namen en onder vreemde vlaggen gevaren.
Alle soorten lading vervoerd.
Even mag ze voor de kant uitrusten voordat ze voorgoed verdwijnt.

 

Werven

 

De Britten konden het verlies aan schepen destijds niet op hun eigen werven opvangen.
Ze lieten daarom 60 schepen, naar eigen ontwerp, bouwen in de Verenigde Staten.

 

Ocean

 

De op de Amerikaanse werven gebouwde schepen van het type-North Sands werden ‘Ocean’ genoemd en kregen ook dat voorvoegsel.

De ‘Ocean Vesper’.
Hier als ‘Clan MacQueen’.

 

Tekening van een ‘Ocean’.

 

Doorsnede ‘Ocean’.

 

Deze schepen werden nog steeds geklonken, met steenkool gestookt in Schotse vlampijpketels en voortgestuwd door een traditionele stoommachine.
Kolen hadden de Engelsen in overvloed in hun mijnen.

De eerste die van de helling afgleed was de ‘Ocean Vanguard’.
Ze werd in 1942 getorpedeerd en verging.

Stapelloop van de ‘Ocean Vaguard’ in 1941.
De ‘Ocean Vanguard’ tijdens haar proefvaart.

 

De ‘Ocean Crusader’ ging te water in oktober 1942.
Ze werd in november 1942 getorpedeerd en verging.
Dit was wel een heel kort leven voor een schip.

De ‘Ocean Crusader’.

 

De Amerikanen bouwden in een hoog tempo.
De verliezen aan geallieerde schepen waren aanzienlijk.

Afbouwkade met linksvoor de ‘Ocean Gallant’.
De ‘Bennevis’ ex-‘Ocean Gallant’.

 

Soms gingen er twee schepen tegelijk te water.

De ‘Ocean Seaman’ en ‘Ocean Gallant’ nog op de helling in 1942.
De ‘Ocean Gallant’ en de ‘Ocean Seaman’ in hun element.

 

Wanneer een schip werd opgeleverd ging dat met de nodige ceremonie gepaard.

De ‘Ocean Traveller’.
De ‘Cape Corso’ ex-‘Ocean Traveller’.

 

Halifax was ook een haven waar vandaan veel goederen verscheept werden.

De ‘Ocean Verity’ in Halifax.
Als ‘Clan Keith’.

 

De ‘Clan Keith’ ex-‘Ocean Verity’ verging in 1961.

Een andere ‘Ocean’ die wat verf kon gebruiken.

De ‘Ocean Angel’ 1942-1960 in oorlogskleding.
Nogmaals de ‘Ocean Angel’.

 

De Nederlandse Staat nam ook vier Ocean’s over.
Het waren de ‘Ocean Athlete’, de ‘Ocean Merchant’, de ‘Ocean Victory’ en de ‘Ocean Seaman’.
De laatste ging niet door omdat ze voor haar overname al gezonken was.

De ‘Ocean Athlete’ 1942-1985.
Als ‘Govert Flinck’.
De ‘Ternate’.
Hier de ‘Ternate’ in Vancouver waar vele schepen op de foto gingen.

 

De ‘Ocean Athlete’ van 1942 kreeg na overname in 1943 de naam ‘Govert Flinck’.
Ze zou eerst de ‘Jan van der Heyden’ gedoopt worden.
Ze ging voor Wm. Ruys & Zn varen.
In 1947 kreeg ze de naam ‘Ternate’ en voer voor dezelfde firma.
Ze werd in 1959 verkocht naar Hong Kong als ‘Kasert’.
Die verkochten haar weer door naar China en kreeg de naam ‘Ho Ping Chi Shi Wu’.
Dat was een lange naam en dat veranderde in ‘Ho Ping 75’.
Daarna nog in ‘Zhan Dou 75’ om in 1985 gesloopt te worden.

 

De ‘Ocean Merchant’ werd in 1943 de ‘Jan Lievens’ nadat ze in 1942 te water ging.
Ze kwam eerst voor de KNSM te varen.
In 1946 werd het de ‘Amstelstad’ en ging voor de Reederij Amsterdam varen.
Verkocht naar Taiwan in 1959 als de ‘Dunn’.
Doorverkocht naar China in 1960 als ‘Ho Ping 26’ en in 1967 als ‘Zhan Dou 26’.
Gesloopt in 1984.

De ‘Jan Lievens’.
Als ‘Amstelstad’.
Graan laden in Vancouver.
Hier als de ‘Ho Ping 26’.

 

De ‘Ocean Victory’ uit 1942 werd de ‘Jan Steen’ in 1943.
Ze ging eerst voor de SMN varen.
Daarna in 1946 voor de Reederij ‘Amsterdam’.
Verkocht in 1959 naar Taiwan als ‘Polly’.
Ze werd gesloopt in 1963.

Als de ‘Jan Steen’.
De ‘Jan Steen’ in New York.
Nogmaals de ‘Jan Steen’.

 

Hoe meer je zoekt, hoe meer foto’s je van Ocean-schepen vindt.
Zoals van de ‘Ocean Fame’ in de havenplaats Halifax.
Dan als ‘Firby’ in Zuid-Afrika.

De ‘Ocean Fame’ 1942-1966.
De ‘Firby’ ex-‘Ocean Fame’.

 

Fort

 

De Canadezen leverden ook hun oorlogsbijdragen op hun werven en bouwden voor de Engelsen de nodige schepen.
Dit maakte deel uit van een gecoördineerde inspanning van de geallieerden waarbij op Engelse, Amerikaanse en Canadese werven schepen werden gebouwd van een standaard die bekend stond als het type ‘North Sands’.
Er werden zo’n 400 schepen van allerlei typen door hun gebouwd.

Een ‘Fort’ van het type ‘North Sands’.

 

Het ‘Empire Liberty’ ontwerp van al die schepen was van JL Thompson & Sons, Sunderland in Engeland.
Snel en eenvoudig te maken.
Canadese werven weken soms af van het ontwerp en bouwden het type North Sands, Canadian of Victory.
Schepen van het type ‘North Sands’ werden nog geklonken, voorzien van Schotse ketels met een voortstuwing door een stoommachine.
Canadians en Victory’s werden gelast en sommige schepen waren oliestokers.

Drukte in de haven van Vancouver 1944.

 

De ‘Fort’ schepen kregen vaak na het voorvoegsel de naam van een fort.
De ‘Park’ schepen logischerwijs namen van parken.

De ‘Withrow Park’ 1944-1960.
In 1955 aan de grond gelopen.
De ‘Kingsbridge’ ex-‘Withrow Park’, type North Sands.
De ‘Fairmount Park’.
De ‘Montreal City’ ex-‘Fairmount Park’, type Canadian.
De ‘Cambray’ ex-‘Bridgeland Park, type Victory.

 

Het is moeilijk het onderscheid te zien tussen dat soort type schepen.
Een goede indicatie is de plaatsing van de reddingsboten.

Type ‘North Sands’.

 

Type ‘Canadian’.

 

Type ‘Victory’.

 

Er gleden van de Canadese werven zo’n 190 ‘Fort’ schepen.
Ze bouwden die schepen ook voor de Amerikanen die ze weer uitleenden aan de Engelsen!
Zo’n ‘Fort’ schip kwam ook onder Nederlandse vlag te varen en wel de ‘Buys Ballot’ in 1948.

De ‘Buys Ballot’.
Als ‘Laagkerk’.

 

Ze ging in 1943 als ‘Fort Orleans’ te water.
Haar rederij werd Zeetransport NV. om in 1949 de naam ‘Laagkerk’ te krijgen en voor de VNS ging varen.
Ze was van het type Victory en werd in 1959 gesloopt.

De schepen veranderden net zo snel van naam, als ze gebouwd werden.
Al gelang hun doel was waar ze voor kwamen te varen.

De ‘Fort Langley’ ex-‘Montebello Park’.
De ‘Fort Charlotte’ ex-‘Buffalo Park’.

 

De ‘Fort Langley’ en de ‘Fort Charlotte’ waren ondersteuningsschepen voor de marine, maar werden bemand door koopvaardijmensen.

Zo’n ondersteuningsschip was ook de ‘Hr.Ms. Vulkaan’.
Deze heeft een korte periode voor de Koninklijke Marine gevaren.
Ze werd te Canada in 1944 gebouwd voor de Engelsen als ‘HMS. Beachy Head’.
Ze werd in 1978 gesloopt.

Tewaterlating van de ‘Beachy Head’ in 1944.
De ‘Hr.Ms. Vulkaan’ 1946-1950.
Nogmaals de ‘Hr.Ms. Vulkaan’.
De ‘HMCS Cape Scott’ 1964.

 

Er werden éénentwintig van dat soort schepen door de Engelsen besteld.
De laatste vier kwamen als zodanig nooit te water, werden niet afgebouwd.

De ‘Rattray Head’ werd later als koopvaardijschip ‘Iran’ in 1946 afgebouwd.
In 1948 verkocht naar Argentinië als ‘Mabel Ryan’.

De ‘Mabel Ryan’ ergens voor de kant.
De ‘Mabel Ryan’ 1956 vast in het Suez kanaal.
Nogmaals de ‘Mabel Ryan’.

 

Het eerste schip dat werd gebouwd was de ‘Fort St. James’, de kiellegging was op 23 april 1941 en 15 oktober opgeleverd.
De ‘Fort St James’ werd pas in 1992 uit de boeken geschreven!

De ‘Fort St James’ glijdt van de helling.

 

De ‘Fort St James’ had haar kont nog niet in het water of de volgende kiellegging werd al weer gedaan.

De ‘Fort St. James’.
De ‘Fort St James’ aan de kade.
Als ‘Temple Bar’.

 

Niet alle schepen haalden die respectabele leeftijd, sommige waren minder fortuinlijk.
Zoals de ‘Fort Pleasant’, de ‘Fort Babine’ of de ‘Fort Chilcotin’.

De ‘Fort Pleasant’ 1942-1944.
De ‘Fort Babine’ 1942-1943.
De ‘Fort Chilcotin’ 1942-1943.

 

Ze werden getorpedeerd en zonken.

Sommige schepen hadden een lang leven voor zich.
Schepen die na de oorlog onder verschillende vlaggen kwamen te varen.
Japans, Grieks of Liberiaans, veel landen hadden schepen nodig.
De Japanse ‘Tenyo Maru’ ex-‘Fort Bell’, het Griekse ‘Yiosonas’ ex-‘Fort St. Croix’ of de Liberiaanse ‘Violando’ ex-‘Alexandra Park’.

De ‘Tenyo Maru’ ex-‘Fort Bell’.
De Griek ‘Yiosonas’ ex-‘Fort St Croix’.
De ‘Violando’ ex-‘Alexandra Park’.

 

Hun namen mogen dan veranderen, hun bouw bleef hetzelfde.
Kwamen beter in de verf te zitten en werden goed onderhouden.

De ‘Fort Edmonton’ een type Victory.
De ‘Federal Voyager’.

 

Park

 

Er werden ongeveer 100 schepen gebouwd voor de Canadese regering door hun eigen werven.
Ze waren gelijk aan de Fort-schepen en de Ocean’s die voor de Engelsen gemaakt werden.
De ‘Ocean’ werden door de Amerikanen gebouwd.
Fort-schepen voeren onder Engelse vlag, Park-schepen onder de Canadese.

Een ‘Park’ schip.

 

Parkschepen zijn vernoemd naar lokale en nationale parken in Canada.
Deze schepen hadden een draagvermogen van 10.000 ton.
Ze werden aangedreven door kolen gestookte ketels en een drievoudige stoommachine die één schroef aandreef.
De rompen van het type ‘Park’ waren geklonken.

Canadese Victory’s in Vancouver 1944.
Bedrijvigheid.
Inhijsen van een stoommachine onderdeel.

 

Weer eentje klaar, de ‘Westend Park’ 1944-1971.
Ze was de 300-ste die te water ging, er zouden nog een aantal volgen.

De ‘Westend Park’ ging in 1944 te water.

 

De ‘Triland’ was eerst de ‘La Salle Park’ van het type North Sands.
Te water in 1944 en in de zestiger jaren gesloopt.

Hier als de ‘Triland’.

 

Canada bouwde ook een negentig-tal schepen voor de Amerikaanse overheid, die deze schepen op haar beurt weer uitleende aan de Engelsen!
Gebouwd volgens hetzelfde ontwerp, maar olie gestookt.
Deze schepen gleden vaak van de scheepshelling als een Park-schip om vervolgens van naam te veranderen in een Fort-schip.
Andersom gebeurde dat ook.

Ook Park-schepen veranderden van vlag en naam.
Al bleef de ‘Seaboard Pioneer’ onder Canadese vlag varen.

De ‘Seaboard Pioneer’ ex-‘Kootenay Park’.

 

De ‘Sapperton Park’ echter veranderde van naam en vlag.
In 1948 in ‘Royston Grange’, maar bleef onder Canadese vlag.
Om in 1949 als ‘Yiannis’ naar Griekenland verkocht te worden.
In 1967 vond ze haar sloper.

De ‘Royston Grange’.
Hier als ‘Yiannis’.

 

De ‘Fort Chimo’ werd in 1943 opgeleverd.
Om daarna als ‘Belwoods Park’ onder Engelse vlag te gaan varen.
Ze ziet er haveloos uit en haar romp kon zeker een verfbeurt gebruiken.
Daar was weinig tijd voor, er moest gevaren worden.
Overal waren voorraden nodig.

De ‘Belwoods Park’.

 

Ze werd in 1967 gesloopt.

 

Park-tanker

 

Dertien Park-schepen werden als tanker gebouwd.
Qua uiterlijk was er geen onderscheid te zien met Park droge ladingschepen.

De ‘Brentwood Bay Park’ gaat van de helling.
De ‘Brentwood Bay Park’ 1943-1962.
De ‘Brentwood Bay Park’ voor de kant.
Als Noorse ‘Norse King’.

 

De ‘Quentico Park’ voer onder verschillende namen.

De ‘Quetico Park’ 1944-1962.
Als ‘Donges’.
Als de ‘Azure Coast’ type Victory tanker.

 

Nog een Park-tanker, deze voer ook onder Noorse vlag.

Hier de ‘Mosna’ ex-‘Mount Bruce Park’ 1943-1963.
Nogmaals de ‘Mosna’.

 

De ‘Ranella’ ook onder Noorse vlag.

De ‘Ranella’ ex-‘Point Pelee Park’ ex-‘Fort Chimo’ 1942-1964.

 

Nog een Park-tanker.

De ‘Georgië’ ex-‘Willowdale Park’ 1944-1967.

 

Laatste

 

De ‘Gaspesian Park’ was het laatste schip dat werd opgeleverd in Canada voor de geallieerden, dat gebeurde op 22-07-1945.
In 1946 kreeg ze de naam ‘Mont Gaspe’ om in 1954 nogmaals te veranderen in ‘Polyxeni’ en onder Costa Ricaanse vlag kwam te varen.

De ‘Mont Gaspe’ ex-‘Gaspesian Park’ 1945-1965.
Nogmaals de ‘Mont Gaspe’ in Searsport.
De ‘Mont Gaspe’ in een haven.
Als ‘Polyxeni’.

 

Ze strandde in 1965 bij Victoria (Br) en werd in dat zelfde jaar naar Valencia gesleept en gesloopt.

 

Scandinavian

 

De Canadezen bouwden ook een aantal ‘Scandinavian’s’ volgens Engels voorbeeld.
Er werden daar 43 van gemaakt en bleven onder Canadese vlag varen.

Tekening ‘Maisonneuve Park’.

 

De ‘Maisonneuve Park’ ging in 1944 te water en liep in 1945 op een mijn en zonk.

Een ‘Scandinavian’ in Halifax.
Een ‘Scandinavian’ de ‘Lafontaine Park’ 1943-1971.
De ‘Liverpool Packet’ ex-‘Argyle Park’ 1945-1976.

 

De ‘Avondale Park’ werd getorpedeerd en ging verloren.

De ‘Avondale Park’ 1944-1945.
Ergens in een haven, de ‘Avondale Park’.

 

De ‘Oakmount Park’ hield het iets langer vol en ging pas in 1983 naar de sloper.

De ‘Sugar Producer’ ex-‘Oakmount Park’ 1944-1983.

 

De Deense ‘Kalø’ kwam ook uit Canada, toen was ze nog de ‘Victoria Park’.

De ‘Victoria Park’ aan de afbouwkade.
De ‘Victoria Park’.
De Deense ‘Kalø’.
Nogmaals de Deense ‘Kalø’.

 

De ‘Liscomb Park’ ging in 1944 te water om in 1955 verkocht te worden naar Noorwegen als ‘Orland’.
Het jaar 1972 werd haar einde bij een sloper.

De ‘Orland’.

 

Ook een Canadese ‘Scandinavian’ kwam onder Nederlandse vlag te varen.
Dat schip ging in 1945 als ‘Hamilton Park’ te water om in 1948 onder de naam ‘D’Arcy McGee’ rond te varen.
Ze werd aangekocht in datzelfde jaar door de Halcyon Lijn NV. en kreeg de naam ‘Stad Dordrecht’.
Ze werd in 1962 verkocht naar Italië en in 1972 gesloopt.

De ‘Stad Dordrecht’.
Een lege ‘Stad Dordrecht’.

 

Ontploffing

 

Soms ging het niet goed en ontplofte een schip.
Zoals de ‘Green Hill Park’ opgeleverd in 1943.
In maart 1945 werd de ‘Green Hill Park’ in de haven van Vancouver klaar gemaakt voor een reis naar Australië.
Ze was onder meer beladen met 1985 vaten onversneden whisky en 94 ton natriumchloride.

Vermoedelijk heeft wat gelekte whisky vlam gevat.
Toen het vuur de natriumchloride bereikte volgde een enorme explosie.
Het onfortuinlijke schip werd weggesleept en ergens aan de grond gezet.
Dagen smeulde het vuur nog na.

Brandend aan de kant.
Blussen van de brand op ‘Green Hill Park’.
Naar een veilig heenkomen slepen.
Veilig aan de grond gezet.
Blijven nablussen.
Ravage.
Behoorlijke schade.
Puinhoop in het ruim.
Verwrongen staal.

 

Ze bleef echter drijven.
Werd weer opgelapt en verkocht in 1946 naar Panama onder naam ‘Phaeax II.
Ze bleef varen tot 1967.

In dok.

 

De grootste klap veroorzaakte de onder Engelse vlag varende ‘Fort Stikine’.
Ze werd in Canada gebouwd voor de Amerikanen die haar uitleende aan Engeland!

De ‘Fort Stikine’.

 

Ze ontplofte in Bombay op 14-04-1944, mogelijk door onachtzaamheid tijdens het lossen.
Ze was geladen met balen katoen, goud en 1400 ton munitie.
Twee enorme explosies verwoestten het havengebied, waar honderden mensen bij omkwamen en de daar aangemeerde schepen, waaronder drie Nederlandse, vervormden tot schroothopen.
In tijd van oorlog nam men het niet zo nauw met belading van schepen en werden gevaarlijke ladingen achteloos in de ruimen gepropt.

Rokende puinhopen.
Restanten op de kant geworpen.
Onherkenbaar.
Wat overbleef van de ‘Fort Stikine’.

 

De drie Nederlandse schepen waren de ‘Generaal van Swieten’, de ‘Generaal van der Heyden’ en de ‘Tinombo’.
Zij voeren alle voor de KPM.

De ‘Generaal van Swieten’.
De ‘Generaal van der Heyden’.
De ‘Tinombo’.
Wrak van de ‘Tinombo’.

 

Onderhoud

 

De ‘Stanley Park’ 1944-1969.

 

In oorlogstijd kon er maar weinig onderhoud aan dat soort schepen gedaan worden.
Varen en blijven varen was het devies.
Na die tijd gold dat nog steeds.
Er moest gevaren worden, de tekorten moesten aangevuld worden.
De verfkwast kwam pas in actie als er wat tijd over was.

De ‘Rondeau Park’ 1944-1966.
De ‘Fort Drew’ 1942-1961.

 

Veel schepen voeren in de wintertijd naar Canada om daar te worden geladen met graan of hout.
Dat naar warmere streken gebracht moest worden.
De verf scheurde door het uitzetten van de stalen delen door de grote temperatuurs verschillen.
De zoute omgeving veranderde deze schepen in roestbakken.

De ‘Fort Beausejour’ 1943-1967.

 

Er werd veel van deze schepen gevergd.
Ze doorstonden de tand des tijds, maar eens komt de brander van de sloper.

 

Liberty

 

Nadat Amerika in december 1941 bij de oorlog betrokken raakte, werd de noodzaak om meer schepen te maken urgenter.
Om deze schepen nog sneller te kunnen bouwen werden ze gelast en werden er meer wijzigingen in het ontwerp aangebracht.
Zo ontstond uit al die schepen de ‘Liberty’.

Triple-expansie stoommachine.

 

Kreeg oliegestookte waterpijpketels, maar werd nog steeds voortgestuwd door een betrouwbare triple-expansie stoommachine die haar een snelheid van hoogstens 11 mijl gaf.

 

 

Zwaar weer.

 

Tekening Liberty.

 

De eerste Liberty die te water ging, was de ‘Patrick Henry’ op 26-12-1941.
Onder groot vertoon gleed ze als ‘het lelijk eendje’ van de helling.
Zo’n naam paste niet bij dat soort schip.
Algauw werd het de ‘Liberty’, een veel toepasselijker naam.
Na haar volgden nog zo’n 2742 van dat type schip, gemaakt op 18 Amerikaanse werven.
In vier jaar tijd werd dit enorme aantal gebouwd, tevens een nog bestaand record voor één type schip.

Ceremonie bij de eerste Liberty de ‘Patrick Henry’.
Hier glijdt ze van de helling.
Proefvaart van de ‘Patrick Henry’.
De ‘Patrick Henry’ in dok.

 

Tekening Liberty.

 

De ‘Benjamin Walters’ die in juli 1944 werd opgeleverd behoorde tot het laatste schip dat werd gebouwd aan de Westkust.
Als allerlaatste was de ‘Albert M. Boe’, die op 26-09-1945 werd opgeleverd.

Eén van de laatst gebouwde Liberty, de ‘Benjamin Warner’ 1944-1971.
De laatste Liberty, de ‘Albert M. Boe’.

 

Tekening Liberty.

 

Om dat resultaat te bereiken werden veel extra werven aangelegd, zowel aan de Ooskust als aan de Westkust.
Werven die voorheen een enkel schip bouwde en geen enkele ervaring hadden in massaproductie.
De productie methode werd afgekeken bij de Fordfabrieken, die auto’s aan de lopende band leverden.

Van de helling de ‘Charles Carroll’.
Koud op de werf.
Drukte op de werf.
Werf met op de voorgrond de ‘Zebulon Baird Vance’.
De ‘Zebulon Baird Vance’ gaat in 1941 te water.

 

Het devies op veel werven was: sneller bouwen dan de Duitsers ze konden laten zinken.

De Wilmington werf.
Gaat er weer één te water.
Nog één te water.
Lopende band werk.
Moet nog wat afgewerkt worden.
Wachten op de ankerkettingen.
Afbouwen van Liberty’s.
Op de voorgrond de ‘John C. Fremont’ 1941-1945.
De ‘John C. Fremont’ vaart thuis.

 

De ‘John C. Fremont’ kwam in 1941 in de vaart en liep in 1945 op een mijn.
Werd daarna gesloopt.

De afbouwkade.
Afbouw Liberty’s.
Een Liberty in opbouw.
Op een rij.

 

De werkzaamheden gingen ook ’s nachts door.

Er werd ’s nachts doorgewerkt.
Fairfield bij nacht.

 

Ieder schip ging op gepaste wijze met de nodige ceremonie van de helling.
Sommige zijdelings.

Stapelloop van de ‘William Clark’.

 

De scheepshelling was nog niet afgekoeld of de kiellegging voor de volgende Liberty werd al gedaan.

Zijdelings te water, de ‘James Eagan Layne’.
Ook zijdelings te water, de ‘Charles Brantley Aycock’.
Kranen in de feeststand.
Met gepast ceremonieel.
Klaar voor gebruik.

 

Tekening Liberty.

 

Als prestige object werd de ‘Robert E. Peary’ in vier dagen en nog wat uren gebouwd, dat gebeurde in 1942!
Haastige spoed is soms goed, want ze werd in 1963 pas gesloopt.
De bouw van deze schepen gebeurde op grote schaal en in een hoog tempo.
In 1943 gleden er ergens per dag drie schepen het water in.
Gemiddeld zaten er 42 dagen tussen de kiellegging en de oplevering.

Veel volk op de been.
Het water in.
Klaar in vier dagen en nog wat uren.
Proefvaart van de ‘Robert E. Peary’.

 

Al snel kregen de eerste schepen last van scheuren in romp en dek.
Sommige schepen gingen ten onder omdat ze spontaan in tweeën braken.
Het ontwerp had zwakke punten in de constructie.
De oorzaak van de problemen en het breken van deze schepen werd eerst gezocht bij de scheepswerven, waar de schepen in grote haast werden gebouwd en bij het gebruik van ongeschoold personeel.

Lasvrouw.

 

Het waren vooral vrouwen die het laswerk deden.

De ‘Helena Modjeska’.

 

Bij nadere inspectie bleek, net als bij de T2-tankers, dat deze breuk het gevolg was van de eigenschappen van het staal en het laswerk.
Vaak waren de schepen ook overbeladen met een slechte gewichtsverdeling.

 

 

De ‘Quartette’.
De ‘Eleni K’ ligt er niet goed bij.
De ‘Eleni K’ gebroken.
De ‘Valery Chkalov’ ex-‘Alexander Baranoff’ 1943-1965.
De gebroken ‘Valery Chkalov’ in 1944.
De delen van de ‘Valery Chkalov’ weer één geheel.
De ‘Joseph Augustin’ gebroken.

 

Tekening Liberty.

 

Het waren ook erg natte schepen, met een vlak dek en te langzaam om zonder escorte in konvooien te opereren.
Onderhoud werd er ook weinig gedaan.
Het was varen en doorgaan.

De ‘William T. Sherman’ 1942-1971.
De ‘Jacob A. Westervelt’ 1944-1972.
De ‘William H. Jackson’ 1943-1968.
Op de voorgrond de ‘Andrew G. Curtin’ 1943, ze werd getorpedeerd in 1944.

 

Schepen met de nodige zeemijlen op hun teller.

De ‘Hoke Smith’ 1943-1967 met torpedonetten uit.
Als de ‘Thora Dan’.
De ‘Thora Dan’ voor de kant.
De ‘Mastro Hellios II’ ex-‘Thora Dan’.

 

De ‘Thora Dan’ voer slechts een jaar voor een Deense rederij.
Het voldeed niet en werd dus gauw doorverkocht.

Er voeren nog genoeg Liberty’s voor andere Deense rederijen.

De ‘Grønland’.
De ‘Else Maersk’.
De ‘Nevada’ van de DFDS.
De ‘Oregon’ van dezelfde rederij.

 

Veel Liberty’s werden uitgeleend of verkocht.
Zo nam Griekenland 98 van die schepen over.

Een overgenomen Liberty door de Grieken.
De ‘Atlantic Trader’.

 

Onder Nederlandse vlag kwamen zo’n 40 Liberty’s.
De meeste aangekocht door de Nederlandse Staat, sommige door rederijen die gewoon schepen nodig hadden.
Deze schepen waren nodig om de Nederlandse koopvaardijvloot weer op sterkte te brengen en de verliezen te compenseren.

 

Eerste

 

De ‘Blijdendyk’ had al namen genoeg gehad voor ze als eerste Liberty aan de Nederlandse regering werd overgedragen.
In het kader van ‘Herstelschade Wet’ werd dit schip aan Nederland toegewezen als compensatie voor de reeds geleden scheepsverliezen.

De ‘Fort Orange’ 1943-1967.
Nogmaals de ‘Fort Orange’.

 

Op de helling in 1943 heette ze nog ‘Tobias Lear’.
Daarna werd ze even de ‘Bosboom’ genoemd.
Ze kreeg in 1946 aanvankelijk ook nog de naam ‘Erasmus’ toe bedeeld, maar dat werd aan een ander schip gegeven.
Om tenslotte als ‘Fort Orange’ onder Nederlandse vlag te gaan varen voor de NASM (HAL).

De ‘Blijdendyk’.
Als de ‘Blydendyk’.

 

In 1947 werd ze de ‘Blijdendyk’ genoemd, om in 1953 te veranderen in ‘Blydendyk’.
Daarna verkocht in 1957 naar Italië waar ze de naam ‘Transilvania’ kreeg.
In 1965 weer doorverkocht naar Libanon als de ‘Mount Athos’.
Ze liep in 1967 aan de grond en werd als verloren opgegeven.

De ‘Transilvania’.
Als ‘Mount Athos’.

 

Daarna werd de ‘Washington Allston’ overgenomen.

Op de achtergrond de ‘Washington Allston’ 1944-1966.
De ‘Washington Allston’.

 

Ze werd daarna de ‘Thorbecke’ genoemd.

De ‘Thorbecke’ in 1946.
De ‘Lutterkerk’.

 

Tekening ‘Lutterkerk’.

 

De ‘Maria Despina’.

 

De ‘Thorbecke’ veranderde haar naam in 1947 als ‘Lutterkerk’ en voer voor de VNS.
Werd weer verkocht in 1962 naar Griekenland als de ‘Maria Despina’ om in 1966 aan de grond te lopen.
Ze werd als verloren beschouwd.
Daarna opgekocht om verbouwd te worden tot kraanschip ‘El Alamein’.

Ook de ‘Hugo de Groot’ werd door de Nederlandse Staat overgenomen.

De ‘Hugo de Groot’.
Als ‘Amstelpark’.
Als de ‘Severn River’.
Hier de ‘Angelic’.

 

Tekening Liberty.

 

De ‘Hugo de Groot’ ging voor de SMN varen.
Als ‘J. H. Drummond’ ging ze in 1944 te water.
Om in 1966 als ‘Angelic’ te worden gesloopt.

Zo ook de ‘Erasmus’.
De Nederlandse Liberty’s kregen namen van historische denkers.

De ‘Horace Williams’ 1943-1971 in oorlogsgrijs.
Als de ‘Erasmus’.
De ‘Lemsterkerk’.

 

De ‘Erasmus’ werd door de Nederlandse Staat in 1947 overgenomen.
Nadat ze eerst onder de naam ‘Horace Williams’ in 1943 te water ging.
Ze ging daarna onder de naam ‘Lemsterkerk’ voor de VNS varen.
In 1962 werd ze verkocht en ging onder Libanese vlag andere namen varen.
Haar sloop was in 1971.

De ‘Kamerlingh Onnes’ werd ook door de Nederlandse Staat in 1947 overgenomen.
Ze ging als ‘George L. Baker’ in 1943 te water.
Kreeg in 1950 de naam ‘Tomini’ en voer voor de Wm. Ruys & Zn.
In 1957 werd haar naam veranderd in ‘Texel’, om daarna in 1962 verkocht te worden als o.a. ‘Brother S’ en onder Panamese vlag kwam.
Haar sloop was in 1969.

De ‘Kamerlingh Onnes’.
Nogmaals de ‘Kamerlingh Onnes’.
De ‘Tomini’.
De ‘Tomini’ nu in het grijs.
De ‘Texel’.
Als ‘Brother S’.

 

De ‘Paul Chandler’ uit 1943 werd ook door de Nederlandse Staat in 1947 overgenomen.
Ze ging als ‘Jeroen Bosch’ voor de Fa. Vinke & Co varen.
In dat zelfde jaar werd haar naam gewijzigd in ‘Ootmarsum’.
Kreeg in 1949 de naam ‘Joost van de Vondel’ en ging voor de Montaan Transport Mij. varen.
In 1953 werd ze verkocht en haar naam veranderde in ‘Sparto’, ze voer onder Panamese vlag.
Daarna in 1964 verkocht naar Griekenland en Cyprus onder de naam ‘Irena’.
Gesloopt in 1971.

De ‘Paul Chandler’ 1943-1971.
De ‘Jeroen Bosch’.
Nogmaals de ‘Jeroen Bosch’.
De ‘Ootmarsum’.
Als ‘Joost van de Vondel’.
De ‘Sparto’.
Als ‘Irena’.

 

Tekening Liberty.

 

De ‘William G. Fargo’ uit 1943 werd ook al door de Nederlandse Staat in 1947 aangekocht.

De ‘William G. Fargo’ 1943-1967.

 

Ze ging als ‘Jacob Cats’ voor de Scheepvaart & Steenkolen Mij. varen.
Vooraleer om, om onduidelijke reden, de naam ‘Zeventien’ te krijgen.
In 1949 onder haar naam ‘Jacob Cats’ voer ze voor Motaan Transport Mij.
Werd in 1950 verkocht naar Liberia en kreeg de naam ‘Agioi Victores’.
Kreeg in 1960 de naam ‘Effi II’ en in 1962 de naam ‘Ayios Dimitris.

De ‘Jacob Cats’.
De ‘Agioi Victores’.
Als ‘Ayios Dimitris’.

 

In 1965 verdween ze naar Taiwan om in 1967 te worden gesloopt.

De ‘George P. McKay’ werd om dezelfde redenen in 1943 overgenomen.
In 1947 kreeg ze de naam ‘Hemony’ en kwam voor VNS te varen.
Haar naam veranderde in dat jaar in ‘Leopoldskerk’ en bleef voor de VNS varen.

Als ‘Hemony’.
Als ‘Leopoldskerk’.
De ‘Atticos’.

 

In 1962 werd ze verkocht en ging ze onder Libanese vlag varen als ‘Atticos’.
Ze werd in 1969 gesloopt.

De ‘Vernon L. Parrington’ werd eveneens in 1946 overgenomen door de Nederlandse staat.
In 1943 was de Liberty onder die naam te water gelaten.
Ze kreeg in 1947 de naam ‘Filips van Marnix’, maar voor ze onder die naam kwam brak er brand uit.
Er werd geprobeerd een andere Liberty te kopen, wat niet lukte.
Met maanden vertraging kwam ze uiteindelijk in de vaart en ging varen voor Ph. van Ommeren.
In het zelfde jaar veranderde ze weer van naam en werd nu de ‘Loosdrecht’ voor dezelfde rederij.

De ‘Vernon L. Parrington’ 1943-1971.
Hier als de ‘Filips van Marnix’.
Als de ‘Loosdrecht’.
De ‘Crescent’ op de rotsen.

 

Ze werd in 1961 verkocht en kreeg de naam ‘Crescent’ en voer onder Panamese vlag.
Er werd flink met de eigendomsrechten gerommeld.
Het schip werd opgelegd en door een zware storm verdaagde ze in 1962 in Hong Kong op de rotsen.
Ze werd weer vlotgebracht en als verloren verklaard.
In 1963 was ze gesloopt.

Nog een paar zgn. Nederlandse Liberty’s.
Eveneens overgenomen door de Nederlandse Staat.
Aangepast aan de Hollandse eisen en direct in de vaart genomen.

De ‘Augustin Stahl’ gleed in 1944 haar element in.
Werd in 1947 overgenomen, kreeg de naam ‘Van ’t Hoff’ en voer voor Fa. Wm Ruys & Zn.
Haar naam veranderde weer, het werd nu ‘Tomori’ in 1950, maar bleef bij dezelfde rederij varen.
Verkocht in 1960 naar Griekenland en haar naam veranderde in ‘Thetis’.
Daarna naar Liberia als ‘Marmaron’ om gesloopt te worden in 1969.

De ‘Van ’t Hoff’.
Als ‘Tomori’.
De ‘Thetis’.
Als ‘Marmaron’.

 

De ‘Boerhave’ ging als ‘George H. Flanders’ in 1943 te water.
Ze kreeg de naam ‘Boerhave’ in 1947 en voer voor Nievelt, Goudriaan & Co.
In 1947 veranderde dat in ‘Alamak’.
In 1958 verkocht naar Italië en ging verder als ‘Gerdomo Campanella’.
Ze verdaagde naar Polen en werd ze ‘Huta Ferrum’.
Haar sloop was in 1972.

De ‘George H. Flanders’ 1943-1972.
De ‘Boerhave’.
Als ‘Alamak’.
Nog een keer de ‘Alamak’.
De ‘Huta Ferrum’.

 

De ‘Berlage’ was een schip dat uit de mottenballen werd gehaald.
Ze lag in 1946 opgelegd op de Hudson rivier waar veel meer overtollige schepen terecht kwamen.
Van 1943 tot 1946 had ze als ‘Lucius Fairchild’ rondgevaren

De ‘Lucius Fairchild’ 1943-1968.

 

In 1947 opgekocht door de Nedelandse Staat en ging voor de JCJL varen.
In 1950 kreeg ze de naam ‘Amstelvaart’ en haar rederij werd Reederij ‘Amsterdam’.
In 1960 verkocht naar Hong Kong, maar kwam onder Panamese vlag te varen.
Als ‘Vigilant’ werd ze in 1968 gesloopt.

Als de ‘Berlage’.
De ‘Amstelvaart’.
Nogmaals als ‘Amstelvaart’.
Als ‘Vigilant’.

 

De ‘Bredero’ lag ook al ergens op een rivier te roesten voordat ze in 1947 overgenomen werd door de Nederlandse staat.
Ze gleed in 1943 als ‘S. Hall Young’ te water om in 1946 opgelegd te worden.

De ‘Bredero’ 1943-1967.

 

Het was geen fortuinlijk schip.
In 1947 brak er tweemaal brand op haar uit, ze kon blijven doorvaren.
Ze kreeg de naam ‘Lekkerkerk’ in 1948 en de Nederlandse Staat bleef eigenaar.
In 1949 liep ze ergens aan de grond en werd weer vlotgetrokken.

Als ‘Lekkerkerk’.

 

Tekening ‘Lekkerkerk’.

 

Voer eerst voor de VNS die als beheerder optrad, om in 1950 overgenomen te worden door de SMN onder dezelfde naam.
In 1951 ging ze weer voor de VNS varen.
Werd verkocht naar Griekenland in 1961 en kreeg de naam ‘Maria Santa’.
Om in 1967 naar de sloper te varen.

Ook de ‘Zeeman’ kwam uit de mottenballen vandaan.
Van 1943 tot 1946 droeg ze de naam ‘L.H. McNelly.

Als ‘Zeeman’.
De ‘Zeeman’ voor anker.
De ‘Trompenberg’.
De ‘Trompenberg’ in charter.
De ‘Trompenberg’ nogmaals.

 

In 1947 opgekocht door de Nedelandse Staat en ging voor Wm. Ruys & Zn. varen.
In 1950 ging ze dat voor Vinke & Co doen en kreeg de naam ‘Trompenberg’.
In 1951 werd haar rederij de Stoomboot Mij. ‘Hilligersberg’ en bleef onder dezelfde naam.
Werd in 1959 verkocht en verging in 1969.

Een groot aantal Liberty’s die onder Nederlandse vlag voeren legden vele zeemijlen af.
Vaak onder goede gesternte, maar het zal er niets aan afdoen dat het zwaar werken was.

 

Tekening Liberty.

 

SAM-schepen

 

De Engelsen namen, onder bepaalde regelingen, 90 Liberty’s over.
Omdat die schepen geleend waren van de Amerikanen en na de oorlog terug gegeven moesten worden, werden zij met een voorvoegsel aangeduid.
Het werden zgn. SAM-schepen.

Het SAM-schip de ‘Saminver’.
De ‘Samfeugh’.
De ‘Samlong’.
De verlaten ‘Samlong’.
De ‘Samingoy’ 1944-1967.
De ‘Samcalia’ 1943-1971.

 

De schepen kregen voor ze gedoopt en van de helling gleden eerst een naam zoals gebruikelijk was bij de Amerikanen.
Zodra de kont van dat schip het water raakte veranderde haar naam in die van een SAM-schip.
Zo verging het ook de ‘Ross G. Marvin’.
Net in beweging naar beneden kreeg ze al de naam ‘Samtry’.

De bouw van de ‘Ross G. Marvin’ 1943-1983.
De ‘Edenbank’.
Hier nog goed in de verf.
De ‘Edenbank’.
Als ‘Ho Ping 43’.

 

Daarna werd het de ‘Edenbank’, om vervolgens naar China verkocht te worden.
Daar werd ze ‘Ho Ping 43’, om nogmaals te veranderen in ‘Zhang Dou 43’.
In 1983 werd ze gesloopt.

De ‘Samuta’ uit 1943 verging het minder.
Als ‘Jesse de Forest’ gleed ze in 1943 in het water om direct van naam te veranderen.
In 1947 ging ze voor de Bank Line varen als ‘Kelvinbank’.

De ‘Jesse de Forest’ 1943-1953.
Als de ‘Samuta’.
De ‘Kelvinbank’ in goede doen.
De ‘Kelvinbank’ aan de grond.
De ‘Kelvinbank’ gebroken.

 

AK-Liberty.

 

Ze kreeg in 1953 machinekamer problemen en liep aan de grond.
Brak in tweeën ging verloren.

 

Liberty tankers

 

De Liberty tanker werd eind 1942 voorgesteld als antwoord op de behoefte om meer olie te vervoeren en om de grote verliezen van de bestaande tankervloot te compenseren.
Aanvankelijk was het de bedoeling bestaande vrachtschepen om te bouwen, maar het ombouwplan werd al snel opgegeven.

Om te voorkomen dat deze schepen als tankers zouden worden geïdentificeerd, werd met opzet de overbodige dekuitrusting behouden en werden de nodige leidingen verborgen.
De misleiding werd verder bevorderd doordat deze schepen ook een deklading konden meenemen.

De ‘Andrew Marschalk’ 1943-1974.
De tankdeksels open.

 

In 1955 werd ze omgebouwd tot droge ladingschip.

Als ‘Kini’.
De ‘Vall Sun’.

 

Deze schepen waren van het type Z-ET1-S-C3.
De tanker had in totaal achttien tanks voor het vervoer van olie.
Zo’n tankschip was moeilijk tot zinken te brengen.
Ze bleef op haar olie drijven.
Benzine-tankers daarentegen waren gevaarlijker.
Als deze beschoten of getorpedeerd werden kon de lading vlam vatten en de bemanning kon geen kant op.

De ‘Oscar S. Straus’ 1943-1970 ook geschikt voor deklading.

 

De ‘Alan Seeger’ ging van tanker naar droge ladingschip.
Als sloopschip ‘Sealady’ had ze nog een aanvaring.

De ‘Alan Seeger’ 1943-1968.
Als ‘Bengt H. Larson’.
Nogmaals de ‘Bengt H. Larson’ nu als droge ladingschip.
Hier als verlengde ‘Sealady’.

 

Ze werd naar een sloper in Spanje versleept toen ze in aanraking kwam met de ‘USS. Von Steuben’.
De atoomonderzeeër voer eerst tegen de hang van de sleepdraad aan en werd daarna overvaren door de sleep.
Ze hadden dat dode schip niet gehoord!
De ‘Sealady’ kwam toch veilig, maar gebutst, op haar sloopplaats aan.

De ‘USS. Von Steuben’ 1963-2001.

 

Tekening ‘USS. Von Steuben’.

 

Nog een aantal Liberty-tankers.

De ‘John H. Marion’ 1943-1967.
De ‘Messaria’ 1943-1967.
De ‘John Stagg’ 1943-1968.
De ‘James Cook’ 1943-1967.
De ‘Jean Baptiste Le Moyne’ 1943-1962.
De ‘Natico’.

 

De ‘Belgorod’ werd in 1943 door de Russen overgenomen.
Ze stond in dat jaar als ‘Paul Dunbar’ op de helling.
In 1948 werd ze teruggegeven aan de Amerikanen die haar weer de oude naam gaven.

De Russische ‘Belgorod’.
Op de achtergrond de ‘Belgorod’ bij het voorschip van de ‘Donbass III’.

 

Een onduidelijk foto van de ‘Belgorod’.
Ze kwam te hulp bij de Russische T2-tanker ‘Donbass III’ die vlak bij de Aleoeten in tweeën brak.

Als ‘Morris Hess’.

 

Werd opgelegd, maar kwam als ‘Morris Hess’ terug in de vaart.

De ‘Palatiani’ nu als een droge ladingschip.
De ‘Andros Pearl’.
De ‘Elena’.
Wederom de ‘Elena’.
De ‘Orient Importer’.

 

Omgebouwd tot droge ladingschip in 1954 en kreeg de naam ‘Palatiani’ en voer onder Panamese vlag.
Werd verlengd in 1956.
In 1957 ging ze als ‘Andros Pearl’ naar Liberia.
Werd in 1962 de ‘Elena’ om in 1966 als de ‘Orient Importer’ te gaan varen.
In 1969 werd ze gesloopt.

In totaal werden 62 van deze tankers gebouwd, maar na de oorlog werden de meeste omgebouwd tot droge ladingschepen.

 

Lengte

 

Sommige Liberty’s ondergingen een metamorfose.
Ze veranderden van tanker in een droge ladingschip en/of werden verlengd.

De ‘Andros City’.

 

De ‘Eugene W. Hilgard’ van normaal naar lang.

De ‘Eugene W. Hilgard’ 1943-1971.
De ‘Loida’.
Als ‘Nervion’ een stukje langer.
De ‘Binky’.

 

De ‘Ralph Barnes’ werd in 1943 opgeleverd en voer daarna onder andere vlaggen en namen.
Als ‘Panagathos’ liep ze in 1965 op het Bornrif bij Ameland.
De bemanning werd gered, het schip ging verloren.

Als ‘Artemidi’ 1951-1952.
De ‘Panagathos’ 1964-1965.
De ‘Panagathos’ op het strand van Ameland.
De ‘Panagathos’ bijna verzwolgen door het wad.

 

Rotsen

 

Geen verandering, maar een mooie foto van een Liberty die op de rotsen gelopen was.

Voor de ‘Ioannis K’ kwam hier haar einde in 1968.
Zo te zien ligt ze daar al een tijdje.

 

Museum

 

Eén van de weinige Liberty’s die de tand des tijds heeft overleefd.
Het is een museumschip geworden na vele jaren haar dienst te hebben gedaan.
De ‘John W. Brown’ 1942-heden.

De ‘John W. Brown’ op de helling.
De ‘John W. Brown’ te water in 1942.
De ‘John W. Brown’ in 1942.
De ‘John W. Brown’ in 1944.
Nog een keer de ‘John W. Brown’.
Past maar net in dat haventje.
Als museumschip.

 

Tekening van de ‘John W. Brown’.

 

USS Liberty

 

Veel Liberty’s gleden het water in, maar ze kwamen niet allemaal bij rederijen te varen.
Een flink aantal werd overgenomen door de Amerikaanse marine.
Ontvingen hun gebruikelijke namen bij hun doop.
Eenmaal door de marine overgenomen veranderde dat.
Ze kregen namen van sterrenbeelden en later aangevuld met een onpersoonlijk nummer.

De ‘USS Crater’ AK-70 ex-‘John Jones Audubon’ 1942-1974.
Nogmaals de ‘USS Crater’.
De ‘USS Crater’ wacht hier op de sloper in 1974.
De ‘USS Cetus’ AK-77 ex-‘George B. Cortelyou’ 1942-1972.
De ‘USS Deimos’ AK-78 ex-‘Hugh McCulloch’ 1942-1943, vergaan.
De ‘USS Sculptor’ AK-103 ex-‘D.W. Harrington’ 1943-1969.
De ‘Ganymede’ AK-104 ex-‘James W. Nye’ 1943-1973.
De ‘USS Naos’ AK-105 ex-‘William R. Nelson’ 1943-1969.
De ‘USS Caelum’ AK-106 ex-‘Wyatt Earp’ 1943-1962.
De ‘USS Sabik’ AK-121 ex-‘William Becknell’ 1943-1961.
De ‘USS Megrez’ AK-126 ex-‘General Vallejo’ 1943-1974.
De ‘Megrez’.
De ‘USS Phobos’ AK-129 ex-‘Joseph H. Kibbey’ 1943-1970.
De ‘USS Allegan’ AK-225 ex-‘Van Lear Black’ 1943-1969.

 

Overal werd lading naar toe gebracht en ergens moest die gelost worden.

Overal maar laden en lossen.
Twee Liberty’s ter oorlogsvaart.

 

Tuigage van een Liberty.

 

Ook de Amerikanen hadden hun reparatieschepen, zoals de ‘Indian Island’.

De ‘Indian Island’ AG-77 1944-1961.

 

Liberty troepenschip

 

De ‘USS Kenmore’ AP-162 ex-‘James H. McClintock’ 1943-1973.

 

De ‘USS Kenmore’ kon zo’n 800 man vervoeren, ze was er voor aangepast.
Zo’n 220 Liberty’s vervoerden troepen.
De Liberty’s waren te traag en vertoonden steeds meer gebreken.
In 1944 werd besloten geen troepen meer te vervoeren met deze schepen.

 

Verlaten

 

Eens komt de tijd dat een schip opgevaren was.
Er geen onderhoud meer aan gedaan werd.
Zulke schepen verdagen naar een achteraf plek in een haven waar ze vergeten worden.

Roestbak.

 

Zo verging het ook de ‘Phineas Banning’ 1943-1967.
De enige die nog geïntresseerd was in zo’n schip, was de sloper.
En dan alleen nog maar om de oud-ijzer waarde.
Slechts in de herinneringen blijft ze rondvaren, als een soort ‘Vliegende Hollander’.

 

Konvooi

 

In die konvooien voeren ook de langzame Liberty’s met hun triple-expansie stoommachines mee, ze haalden een maximum van 11 zeemijlen.
Het waren gewoon zwoegers.
Voor de Duitse oorlogsschepen en vliegtuigen was het min of meer prijsschieten op die logge schepen, die beladen waren met tanks, kanonnen, vliegtuigen, benzine, etc.

Moemansk konvooi 1942.
Arctisch konvooi PQ17.
Een konvooi onderweg.

 

De konvooien waren een allegaartje van allerlei schepen en de langzaamste bepaalde de snelheid.
Ook moesten ze in een bepaald patroon varen wat ook niet meehielp om sneller vooruit te komen.
De konvooien moesten lange trajecten afleggen, de oorlogsgebieden hadden voorraden en troepen nodig.

Schepen in konvooi.
Getroffen.
Getorpedeerd.
Zinkende.

 

De vaart op Moermansk was de gevaarlijkste.
Omdat ze op een bepaald punt dicht langs de vijandelijke kust van Noorwegen voeren.
Natuurlijk boezemde de ijzige zee ook angst in.

Dampende zee.
IJzig.

 

In totaal zijn er 87 vrachtschepen en 18 escorteschepen van de noordelijke konvooien verloren gegaan, die bijna 3000 opvarenden meenamen naar de bodem van de zee.
Maar de schepen die het haalden, leverden miljoenen tonnen essentiële voorraden af.

Een ‘Focke-Wulf Fw 200’.

 

De Focke-Wulf Fw 200 ‘Condor’ werd net zo gevreesd als het ijzige water van de Noordelijke Atlantische Oceaan.
Lange afstandsvliegtuigen die de konvooien voortijds ontdekten.

Er ontstond behoefte aan een sneller en groter vrachtschip.

 

Victory

 

In 1943 werd daarom een nieuw schip ontworpen: de Victory.
Als opvolger van het ontzettend succesvolle, maar trage Liberty.
Het was een specifiek Amerikaans ontwerp.
Ze was een grote verbetering door haar snelheid.

Een Victory, de ‘Princeton Victory’.

 

Het werd een schip van 10.000 ton met een stoomturbine van 6.000 pk, een snelheid van 16 mijl en een lengte van 140 meter.
Hiervan zijn er 531 gebouwd.

Tekening en doorsnede Victory.

 

Tekening Victory.

 

Nauwelijks was het schip op de tekentafel uitgewerkt of de afmetingen moesten drastisch worden aangepast.
De breedte werd gewijzigd van 19,1 m naar 18,8 m.
Dit kwam door de ontdekking dat de scheepshellingen op veel scheepswerven te smal waren voor deze schepen.

De eerste van een lange reeks Victory’s met type aanduiding VC2-S-AP2 was de ‘United Victory’.

De kiellegging van de ‘United Victory’ in 1943.
Afbouwen van de ‘United Victory’ in 1944.
De ‘United Victory’ bijna gereed.

 

Van de eerste Victory, de ‘United Victory’, is de opleveringsdatum bekend, dat was op 28-02-1944.
Terwijl de laatst gebouwde Liberty een maand eerder het water was in gegleden.

De ‘Khedive Ismail’.
Als ‘Cleopatra’.
De ‘Cleopatra’ aan de grond bij Gibraltar.

 

De ‘United Victory’ werd in 1947 verkocht naar Egypte en kreeg de naam ‘Khedive Ismail’ om in 1956 te veranderen in ‘Cleopatra’.

Ondanks dat het functionele schepen waren die zo snel mogelijk lading moesten vervoeren, hadden ze bepaalde sierlijke lijnen.
Zoals bij de ‘Navajo Victory’.

De ‘Navajo Victory’.

 

Een ander obstakel was dat er andere werven gevonden moesten worden.
Veel werven waren vol met werk aan Liberty’s en andere orders.

Victory’s aan de afbouwkade.

 

Vooraan de ‘Lincoln Victory’ de latere ‘Aardyk’ van de HAL.
Werd in 1944 opgeleverd om in 1947 overgenomen te worden door de Nederlandse Staat die haar bij de HAL liet varen als ‘Aardyk’.

De ‘Aardyk’.
De ‘Siang Yung’ ex-‘Aardyk’.

 

Verkocht naar Taiwan als ‘Siang Yung’.
Zonk in het Panamakanaal, werd gelicht om haar ergens anders weer te laten afzinken.

Tekening Victory.

 

Er voeren zo’n 12 Victory’s voor de HAL allemaal beginnend met een ‘A’, waaronder ook de ‘Axeldijk’ eveneens door de Staat der Nederlanden in 1947 overgenomen.
Op de helling in 1945 heette ze nog ‘Colby Victory’.
Daarna doorverkocht naar Liberia onder de naam ‘Monique’.

De ‘Colby Victory’ 1945-1971.
Hier als ‘Axeldyk’.
Als ‘Monique’.
Nogmaals de ‘Monique’, nu voor een andere reder.

 

De ‘Appingedyk’ werd overgenomen toen ze nog de ‘Hassan’ heette in 1953.
Daarvoor was ze de ‘Nanking Victory’ uit 1951 en de ‘Coaldale Victory’ in 1945toen ze te water ging.
Verkocht naar Taiwan als de ‘Hong Kong Mariner’.
Ze werd in 1972 gesloopt.

De ‘Coaldale Victory’ 1945-1972.
Als ‘Appingedyk’.