Herkenning

 

…Regelmatig ga ik naar de ‘bieb’ om mijn geleende boeken te ruilen en gelijk wat tijdschriften te lezen.
Het nautische tijdschrift ‘de Blauwe Wimpel’ heeft mijn voorkeur.

wimpel-265x108[2]Aandachtig las ik de artikelen in het tijdschrift.
Tot ik weer een bladzijde omsloeg en…. mijn hart ging bloeden.

 

Daar stond een foto van een schilderij geplaatst met de zeeslepers waar ik op gevaren had.
Schepen waar ik fijne herinneringen aan heb.

Het moment dat de ‘Utrecht’ de ‘Willem Barendsz’, slepende met twee Victories, praait voor het overgeven van wat proviand.

Kijk op Zee!

 

Dit stond in de editie van november 2012 en het schilderij werd gemaakt door Fred Boom.

Erbij was een verhaal geschreven dat mijn borst deed zwellen van trots.
Een gedeelte eruit, geschreven door iemand van de wal.

Wanneer ik op vrijdag 10 augustus het atelier van Fred Boom binnenstapt, valt m’n oog gelijk op het schilderij ‘Hollands Glorie’.
Beide schepen ken ik.
Schepen uit mijn jeugd.
Ik bewonderde ze, bezocht ze en nam me voor daarop te gaan varen.
Klein van stuk dat wel, máár oersterk.
Kwam een groot schip in de problemen en zat de zeeman in de rats; dan was alle hoop op hen gevestigd.
Nee, aan verbeeldingskracht ontbrak het me als ‘broekie’ niet.
Aan iets anders wel.
Realiteitszin.
Dat het er nooit van gekomen is, vind ik achteraf gezien dan ook helemaal niet erg.
Om eerlijk te zijn; ik vermoed dat ik er te licht voor zou zijn geweest.
Zeker is dat er op zeeslepers slechts plaats was voor maar één soort mannen.
De allersterkste.
Doorgewinterd, onverschrokken, bikkelhard.

Een anekdote werd door de schrijver aangehaald: over een kapitein bij Wijsmuller.
Deze moest eens overstappen, na maanden van buffelen op ‘joppenboot’ ‘Utrecht’.
Hij zou thuisvaren met de maar net uitgehaalde ‘Willem Barendsz’.
Het contrast was enorm.
Z’n werkplunje ging uit en het stijve, ongemakkelijk zittende uniform aan.
Tijdens de PR-tour langs verschillende havensteden moest alles er picobello uitzien.
Schip én bemanning.
Vandaar.
Toen echter de sparks (marconist) te Brest met het bericht kwam dat de tour voortijdig werd afgebroken omdat een sleep naar Australië voorging, wist die kapitein niet hoe snel hij dat rottige pak weer uit moest trekken.
Meer dan dat; hij pakte zijn koffer en mocht naar huis.

Leo Bersee

‘Utrecht’ met de kuif van T. Sprakel.

 

Dit verhaal overkwam niet alleen kapiteins.
We keerden met de ‘Utrecht’ voor even terug in IJmuiden.
Op de eerste machinist na mocht iedereen even naar huis.

Samen met de walploeg deed hij de noodzakelijke reparaties, daarna zou hij met verlof gaan.
Na een paar dagen moesten we ons weer aan boord melden.

In de machinekamer was het een grote puinhoop, alles was ‘vetheet’, reparaties waren niet klaar, de reserveonderdelen niet opgeruimd en het gereedschap lag nog overal.
Intussen daalde de nieuwe ‘eerste’ de trap af in een hagelwitte overall, hij maakte een rondje over de plaat en ging weer naar boven.
Vlak voor vertrek moesten wij naar boven om de monsterrol te tekenen.
De ‘nieuwe’ was in geen velden of wegen meer te bekennen, hoe we ook zochten.
Zelfs zijn koffers waren weg!

Er zat niets anders op voor de oude ‘eerste’ om weer aan te monsteren.
Dat er een aantal engeltjes uit de lucht vielen was begrijpelijk.
In Penzance kon hij weer van boord en kregen we weer een bekende aflosmachinist.

Ja, je moet tegen dat leven kunnen.